e-mail
728X9003

Home

Bronzen beeldjes

Brons uit de Oudheid


Brons is uit een legering van koper en tin, soms met sporenelementen van andere stoffen, zoals zilver, arseen of bismut. Dat leidt tot verschillende kwaliteiten brons. Natuurlijke koperlegeringen zullen tot de ontdekking van brons hebben geleid. De toevoeging van tin maakt koper harder, verlaagt het smeltpunt, en laat meer detaillering toe. Brons komt vanaf 3000 v.Chr. in het Nabije Oosten voor.

Een van de belangrijkste kopermijngebieden was Cyprus, waar ook ons woord "koper" van af is geleid. Daarvoor waren Oost-Turkije, de SinaÔ en de Egyptische woestijn belangrijke wingebieden. Tin werd aanvankelijk vooral op het Iberisch schiereiland gewonnen, en later onder meer ook op Cornwall.

Bronzen producten werden vooral massief gegoten, met behulp van een of meer mallen. Ook werd een techniek gebruikt van gieten rondom een model van was, dat tijdens het proces tussen kern en mantel wegsmolt. De meest economische methode was hol gieten. Tenslotte kon brons ook gehamerd ('gedreven') worden, wat zich goed leende voor verfijnde reliŽfversiering zoals repoussť, bosseleren en ciseleren.

In Egypte komt veel koper voor, dat al ver voor 3000 v.Chr. wordt gebruikt. Verbeteringen van het procťdť leidden al in 2de dynastie tot het vervaardigen van grote koperen beelden. Tin ontbrak in Egypte, en bronstechnologie werd pas tijdens het Middenrijk uit het Nabije Oosten overgenomen. Na 1500 v.Chr. werd die verfijnd, om pas veel later tot volle wasdom te komen. In de laatste 7 eeuwen voor de jaartelling bereikt de Egyptische bronskunst haar bloeiperiode, en onderscheidt zich van elders door het gebruik van gipsen mallen.

In het Nabije Oosten was brons al vanaf 3000 v.Chr. bekend, maar werd pas duizend jaar later massaal geproduceerd. Toen controleerden Assyrische kooplui de tinhandel. In het 1ste millennium is AssyriŽ weer een centrum van een bloeiende bronsindustrie, net als Urartu en Luristan. Vanaf 800 v.Chr. verdringt ijzer het gebruik van brons voor wapens.


In de Griekse en Romeinse wereld was het gebruik van brons zeer algemeen verspreid. De antieke literatuur spreekt van enorme aantallen bronzen kunstvoorwerpen, die een hogere status hadden dan beeldhouwwerk in steen. Vooral de Etrusken waren geduchte bronsbewerkers. De Vesuvius-steden leveren een goed beeld van de aanwezigheid van brons in het dagelijks leven.

Uit Romeins Nederland is brons vooral bewaard als kleine, vrijstaande beeldjes of appliquťs. Opvallende vindplaatsen zijn rivieren of tempeldepots. Daarnaast is brons bekend uit schatvondsten. Hier te lande is geen bronsatelier gevestigd geweest. Het brons kwam rechtstreeks uit ItaliŽ, later ook wel uit GalliŽ en Keulen.

1.   Koper, tin, brons
1.1 Vele kwaliteiten
1.2 Tin
1.3 Winning: koper
1.4 Winning: tin
1.5 Bronsgieten
1.6 Cire perdue
1.7 Hol gieten
2.   Figuratieve bronzen in het RMO
2.1 Egypte
2.2 Het Nabije Oosten
2.3 De klassieke wereld
2.4 Nederland in de Romeinse tijd

1. Koper, tin, brons
Brons is een legering van koper en tin. Koper is het hoofdelement, waaraan vervolgens, in gesmolten staat, tin wordt toegevoegd, in een hoeveelheid die varieert van twee tot zelfs dertig procent van het totaal. Tegenwoordig bevat "normaal" brons ongeveer negen tot tien procent tin. In de oudheid lijkt evenwel een grote variatie, tussen twee en zestien procent, meer gangbaar geweest te zijn.

1.1 Vele kwaliteiten
De legering kan ook andere elementen bevatten, zoals lood of zink, soms opzettelijk toegevoegd, maar vaak al aanwezig in het kopererts. Kopererts is nooit helemaal zuiver en bevat steeds sporen van andere elementen. De meest voorkomende onzuiverheden zijn zilver, ijzer, nikkel, lood, bismut, antimoon, zwavel, arseen en kobalt. Elk van deze elementen leidt, mede afhankelijk van de hoeveelheid waarin zij aanwezig zijn in het erts, tot koper van verschillende kwaliteit. Zo maken bijvoorbeeld grote hoeveelheden lood het koper zacht en zorgt bismut, zelfs in minieme hoeveelheden, voor bros koper. Aanwezigheid van arseen daarentegen verhoogt de hardheid en duurzaamheid van koper door de absorptie af te remmen van gassen uit de atmosfeer die het pure koper bij het smelten en gieten bros en poreus maken. Deze eigenschappen lijken al vroeg opgemerkt te zijn: reeds in het 5de en 4de millennium v.Chr. werd in het Nabije Oosten gebruik gemaakt van natuurlijke legeringen van koper en arseen voor de productie van allerhande voorwerpen. Arseen stelde de smeden evenwel ook voor problemen. Zo zullen de giftige dampen die vrijkwamen bij het smeltproces menig slachtoffer geŽist hebben, terwijl het praktische werk in de smidse sterk bemoeilijkt werd door het feit dat men ertsen van zeer verschillende kwaliteit in handen kreeg: de hoeveelheid arseen in koperertsen kon sterk verschillen, zonder dat men in staat was deze hoeveelheid aan het erts af te lezen. De voor- en nadelen van de koper-arseen legering zullen de smeden ongetwijfeld aangezet hebben tot allerlei experimenten met toevoegingen, uiteindelijk resulterend in de "ontdekking" van tin.

1.2 Tin
Tin heeft een soortgelijke gunstige werking op koper als arseen, doch heeft nog een aantal andere voordelen: tin beperkt het krimpen van het kopergietsel bij afkoeling; het verlaagt het smeltpunt van koper (toevoeging van 5% tin verlegt het smeltpunt van koper van 1083įC naar 1050įC, terwijl een toevoeging van 15% tin het smeltpunt verlaagt naar 960įC); het verhoogt de hardheid van koper (koper heeft een hardheid van 50 op de schaal van Brinell indien gegoten en van 128 indien gedreven; brons daarentegen, met een toevoeging van 10% tin, heeft een hardheidsfactor van 90 indien gegoten en van maar liefst 228 indien gedreven); het verhoogt de vloeibaarheid van gesmolten koper, waardoor bij het gieten allerlei details in de mal beter gevuld kunnen worden en het eindproduct van veel betere kwaliteit is. Bovendien was tin in gebruik niet giftig en kon de toe te voegen hoeveelheid aan het kopergietsel precies afgemeten worden; de smid was, veel meer dan voorheen, in staat het proces van gieten en smeden naar zijn hand te zetten. De vroegste koper-tin legeringen, ofwel bronzen, verschenen in het Nabije Oosten omstreeks 3000 v.Chr. en enige eeuwen later in Oost- en Centraal Europa; een geleidelijke verspreiding vond nu plaats naar het westen toe (in Nederland begint de Bronstijd omstreeks 1800 v.Chr.). Dit brons werd gebruikt naast de koper-arseen legeringen en het puur koper van voorheen.

1.3 Winning: koper
De winning van de benodigde grondstoffen voor de productie van brons vond plaats in verschillende mijngebieden rond het Middellandse Zeegebied en in het noorden van Europa. In Griekenland (Euboea) kon kopererts in dagbouw gewonnen worden, doch deze mijnen konden nauwelijks voldoen aan de onverzadigbare vraag naar koper. Het eiland Cyprus, dat zijn naam gaf aan het Latijnse cuprum en waarvan, uiteindelijk, het Nederlandse "koper" is afgeleid, groeide in korte tijd uit tot een van de belangrijkste producenten van koper, en onderhield handelsbetrekkingen met het gehele EgeÔsche gebied en aangrenzende streken. De stad Kition wordt genoemd in oude teksten als een belangrijke overslagplaats, met in de buurt diverse mijnen. In latere tijd vielen de Cypriotische mijnen toe aan de Romeinse keizer, die ze vervolgens verpachtte of door ambtenaren liet besturen. Tijdens de Romeinse Keizertijd werden ook mijnen ontgonnen in Engeland, vooral in Wales en Cornwall, in Frankrijk (GalliŽ) en verder noordelijk in Duitsland, waar ertsen gewonnen werden langs de Saar en de Rijn. Ook ItaliŽ zelf, met de landstreken EtruriŽ, SardiniŽ en CampaniŽ, en Spanje golden als belangrijke productiegebieden. In Spanje zorgde, vooral in het 1ste millennium v.Chr., de koperwinning en -handel voor ongekende rijkdommen; Fenicische zeevaarders en handelslieden bevoorraadden grote delen van de toenmalige wereld met Spaans koper en brachten factorijen als Cadiz en Cartagena tot grote bloei.

In het oostelijk deel van het Middellandse Zeebekken werd al vroeg koper gewonnen te Ergani Maden in Oost-Turkije, aan de bronnen van de Tigris, maar ook elders in het bergland van AnatoliŽ werd de mijnbouw intensief bedreven. AnatoliŽ exporteerde koper naar SyriŽ en de Levant, ofschoon het meeste koper in deze streken van Cyprus afkomstig lijkt te zijn. Cypriotisch koper werd, naast koper uit de landen langs de Perzische Golf (vooral Oman), ook gebruikt in Babylon en Egypte. De Egyptenaren ontgonnen ook zelf kopererts, in twee ver van elkaar gelegen regio's: de SinaÔ en de oostelijke woestijn. De soms gigantische bergen slakken en ander mijnafval geven aan dat duizenden tonnen koper hier gewonnen werden binnen een bestek van enkele eeuwen.

1.4 Winning: tin
Tin, het tweede hoofdbestanddeel van brons, kwam in het westen vooral uit Spanje, Portugal en SardiniŽ, waar al in het late 3de en 2de millennium v.Chr. tinmijnen bestonden, en verder uit Frankrijk (Bretagne, Haute Vienne), ItaliŽ (EtruriŽ) en Griekenland (Delphi). Ook Engeland (Cornwall) produceerde tin en groeide gedurende de Romeinse Keizertijd uit tot een van de belangrijkste tinleveranciers. Eerder werd Brits tin mogelijk door Fenicische zeevaarders tot ver in het Middellandse Zeegebied vervoerd. Cyprus vormde een belangrijke plaats voor de overslag, vanwaar tin naar het EgeÔsche gebied en vooral de Levant en Egypte gebracht werd. Tinbaren met Cypriotische merktekens zijn onder andere in scheepswrakken voor de kust van IsraŽl ontdekt. In het oosten golden in het vroege 2de millennium v.Chr. vooral de AssyriŽrs als belangrijke handelaren in tin. Onduidelijk is echter waar dit tin vandaan kwam; mogelijk moet gedacht worden aan het bergland van de Zagros, op de grens van het moderne Irak en Iran, of aan de streken rondom de Perzische Golf. In de 8ste eeuw v.Chr. maakt koning Sargon II van AssyriŽ melding van het "tinland aan de andere kant van de zee" -waarmee waarschijnlijk het land ten oosten van de Perzische Golf werd bedoeld.

1.5 Bronsgieten
Na winning werden de ruwe koper- en tinertsen zo veel mogelijk gezuiverd van niet-metaalhoudende resten en vervolgens tot kleine stukjes vergruisd. Het gezuiverde erts werd vervolgens verhit, teneinde het metaal aan het erts te onttrekken. Het smelten, gewoonlijk in meerdere gangen om een hogere zuiverheid van het metaal te bereiken, vond aanvankelijk plaats in smeltkroezen (kleine aardewerken kommetjes met een tuitje) ingebed in vuurkuilen, later in echte smeltovens. Gedurende de laatste smeltgang vond dan het samenvoegen van koper en tin plaats, en ontstond de legering brons.

Voor het eigenlijke gietwerk kon de smid diverse technieken aanwenden. De eenvoudigste methode, veelal gebruikt voor de productie van gereedschap en wapens, omvat het gieten van het vloeibare metaal in een vuurvaste, open vorm, identiek aan het te gieten object. Een fraai voorbeeld is het blok kalksteen uit Shechem (IsraŽl), te dateren omstreeks 2000 v.Chr., waarin aan vier zijden de vormen zijn uitgespaard van allerhande werktuigen en wapens. De achterzijde van een gietstuk gemaakt in een dergelijke vorm is ruw en vol met "blaasjes", te wijten aan de snelle afkoeling in de open lucht; een verdere afwerking via hameren en vijlen is noodzakelijk.

Een andere methode vergt twee vlakke gietvormen, waarin het te gieten object is uitgesneden. De gietvormen dienen, op elkaar gelegd, precies aan elkaar te passen en omsluiten nauwgezet het gietstuk; via een of meerdere openingen in het oppervlak wordt vervolgens het brons in de vorm gegoten. Na verharding worden de gietplaten van elkaar gehaald en de gietnaden verwijderd. Deze techniek is onder andere geschikt voor het vervaardigen van eenvoudige figuurtjes, waarin in de ene gietvorm de achterzijde, in de andere vorm de voorzijde wordt uitgesneden. Beide technieken lenen zich uitstekend voor het massaal vervaardigen van werktuigen e.d.; de gietvormen kunnen immers eindeloos gebruikt worden.

1.6 Cire perdue
Van geheel andere aard is echter de zogenaamde "verloren was" techniek (" ŗ cire perdue "). Hierbij wordt het te gieten voorwerp allereerst in was gemodelleerd. Vervolgens omgeeft men dit wasmodel met een gietmantel van klei, voorzien van giet- en luchtkanalen. De kleimantel wordt voorzichtig gebakken, waarbij de was smelt en door een gat wegloopt. De zo ontstane holte, in de vorm van het wasmodel, wordt met vloeibaar brons gevuld. Na stolling kan men de gietvorm stukslaan en het bronzen gietstuk, een unicum, uit zijn mantel bevrijden. Deze methode is vooral van nut bij de vervaardiging van voorwerpen van ingewikkeld ontwerp en veel detail.

1.7 Hol gieten
Een andere techniek is het z.g. hol gieten, een methode die zorgt voor een aanzienlijke besparing aan brons. In de klassieke wereld werd daartoe allereerst een figuur in klei gemodelleerd. Vervolgens werd over deze kern een dun laagje was aangebracht, waarin de artiest de fijne detaillering kon aanbrengen. De waslaag werd bedekt met de kleien gietmantel, waarbij de kleikern in de mantel verankerd werd met behulp van kleine ijzeren strips, de zogenaamde kernankers. Zo werd voorkomen dat de kern bij het uitgloeien van de was zou verzakken en bleef er ruimte voor het ingieten van het brons. Na het gieten hoefde men slechts de uitstekende ijzertjes af te vijlen en het oppervlak verder af te werken. Uiteraard leidde ook deze techniek tot de productie van unica. In Egypte werd evenwel een andere methode van hol gieten toegepast, waarbij van eenzelfde model meer afgietsels gemaakt konden worden. Daartoe werd een meerdelige gipsvorm vervaardigd, die steeds weer opnieuw te gebruiken was. Men liet deze gipsmallen nu niet geheel vollopen met vloeibaar was, maar liet slechts een dunne laag tegen de buitenwand stollen. Deze wasmodellen assembleerde men tot holle figuren, die met een zandmengsel werden gevuld. Ook hier werden de kernen verankerd aan de gietmantel, waarna het verhitten en, tenslotte, het gieten van brons kon plaatsvinden.

1.8 Gedreven brons
Uiteraard werden niet alle bronzen rechtstreeks gegoten; vele werden gehamerd -- "gedreven" -- uit platen brons. Bovendien, ook de gegoten bronzen vereisten vaak nog een decoratieve afwerking, waartoe mechanische technieken als ciseleren en "repoussť" ontwikkeld werden.

Eenvoudig vaatwerk kan vervaardigd worden met een techniek die opwerken heet: de zijkanten van een platte plaat of schijf metaal worden tot de gewenste vorm omhoog geklopt met behulp van een hamer en een aambeeld, of over een paal of mal rondgehamerd. Hameren heeft in het geval van brons met minder dan 12 ŗ 13% tin echter een nadeel: na een tijd wordt het brons hard en nauwelijks nog te bewerken door veranderingen in de kristalstructuur. Het brons dient nu "onthard" te worden door het te verhitten. Het roodgloeiende brons is echter zeer bros en moet langzaam afkoelen, voordat het hameren opnieuw kan beginnen.

Drijfwerk treft men evenwel vooral aan in de vorm van reliŽfversiering, uitgevoerd in diverse technieken, op plaatbrons. Wellicht het meest gebruikt is de "repoussť" methode, ook wel bosseleren genoemd. De smid hamert allereerst de hoofdvormen in de achterzijde van een bronzen plaat. In de nu ontstane holten aan de achterzijde wordt vervolgens kneedbaar pek gedrukt, waarna het fijne hamer- en modelleerwerk aan de voorzijde kan beginnen; het pek zorgt voor een bescherming van de opgewerkte delen tegen deuken of gaten door de hamerslagen aan de voorzijde.

Het fijnste sierwerk wordt verkregen via "ciseleren", d.w.z. het zorgvuldig en minutieus bewerken van het metalen oppervlak met behulp van riffelvijltjes, graveerstekers en ciseleerponsen en -hamer. Ciseleer- en bosseleerwerk treft men vaak naast elkaar op ťťn en hetzelfde voorwerp aan. Een fraai voorbeeld is het druk versierde bronzen schild uit West-Iran.

2. Figuratieve bronzen in het RMO
Het Rijksmuseum van Oudheden heeft, sedert zijn oprichting in 1818, een rijke collectie aan antieke bronzen opgebouwd. De verzameling omvat onder andere gebruiksvoorwerpen, zoals bekers en kruiken, en allerhande wapens, maar vooral ook veel figuratieve bronzen: afbeeldingen van mensen, dieren, goden. Het merendeel is verworven in de kunsthandel of verkregen via schenkingen. Hierdoor is de precieze achtergrond vaak onbekend of twijfelachtig. Andere bronzen stammen evenwel uit opgravingen, waardoor herkomst en datering vastgelegd zijn.

2.1 Egypte
Egypte stond al in de Oudheid bekend om zijn rijkdom aan minerale bodemschatten. De vulkanische gesteenten van de oostelijke woestijn en de SinaÔ zijn rijk aan goud- en koperaders. Beide metalen, koper eerder dan goud, zijn al in het 4de millennium v.Chr. in Egypte bekend. In nederzettingen en graven van de zogenaamde Badari-cultuur, later gevolgd door de verschillende fasen van de Nagada-cultuur, zijn al kleine koperen voorwerpen zoals kralen en spelden gevonden. De onderlinge oorlogen, die rond 3000 v.Chr. leidden tot de eenwording van heel Egypte onder ťťn farao, werden al met koperen bijlen, dolken en speren uitgevochten. De graven van de eerste farao's bevatten honderden wapens en werktuigen, sieraden en stukken vaatwerk van koper.

Het is slecht bekend hoe men dit materiaal verkreeg. Waarschijnlijk speelde de winning van koperertsen als malachiet en azuriet een hoofdrol. Met name het groene malachiet werd al in de vroege prehistorie in de woestijn verzameld: de Egyptenaren gebruikten het in fijngewreven vorm als oogschmink en bakten het ook met zand en soda tot een soort glazuur (Egyptisch faience). Het is mogelijk dat tijdens dat bakproces is ontdekt dat het erts bij hoge temperatuur (1083įC) vloeibaar koper oplevert. Door dit min of meer zuivere metaal vervolgens uit te hameren of in open vormen te gieten, kon men de eenvoudige voorwerpen vervaardigen die uit deze tijd zijn teruggevonden.

In de nu volgende eerste bloeiperiode wisten de Egyptenaren de bestaande technologie aanmerkelijk te verbeteren. In de koningsannalen uit deze tijd, die deels bewaard zijn gebleven op een brok steen in het museum van Palermo, wordt vermeld dat al onder de tweede dynastie (2770-2649 v.Chr.) een koperen beeld van farao Chasechemoei werd vervaardigd. De oudste metalen beelden die we daadwerkelijk kennen, zijn de levensgrote figuren van koning Pepi I (2289-2255 v.Chr.) en zijn zoon Merenre in het museum van KaÔro; deze zijn gemaakt uit in model gehamerde platen koper, die op een houten kern waren bevestigd. Mogelijk is voor de gezichten al gebruik gemaakt van een primitieve giettechniek. Op voorstellingen in de privť-graven van deze tijd zien we metaalwerkers afgebeeld, die met lange blaaspijpen het houtskoolvuur onder de kleine smeltkroezen aanjagen en daarna het uitgegoten metaal met ronde stenen tot platen uitslaan. Ook wisten de Egyptenaren van het Oude Rijk al dat ze gereedschap door hameren en uitgloeien konden harden.

Koper leent zich echter niet voor het gieten in gesloten vormen, een type dat benodigd is voor het vervaardigen van rondom uitgewerkte voorwerpen zoals beelden. Het metaal neemt tijdens het smelten namelijk veel gassen op uit de atmosfeer, die in een gesloten vorm niet kunnen ontwijken. De technologie die nodig was om dit probleem op te lossen, kwam uit AziŽ. Al in het derde millennium v.Chr. hadden de metaalwerkers van Ur in MesopotamiŽ ontdekt dat ze door het toevoegen van tin een veel gietbaarder materiaal verkregen, dat bovendien al bij een lagere temperatuur smolt en harder gereedschap opleverde dan het brosse koper. De Egyptenaren leerden het brons pas tijdens het Middenrijk (2040-1640 v.Chr.) kennen. Vermoedelijk hebben ze steeds het benodigde materiaal rechtstreeks uit SyriŽ en andere Aziatische streken geÔmporteerd, in de vorm van bijlen, vaatwerk en staven die dan in Egypte weer werden omgesmolten. Winbare hoeveelheden tin waren in Egypte zelf namelijk in de Oudheid niet bekend.

Hoewel de Egyptenaren naast brons nog lang koper bleven gebruiken, zijn er toch al uit het Middenrijk enige bronzen beeldjes bekend, gemodelleerd volgens het "verloren was" procťdť. Met hun enigszins onhandige proporties en grove detaillering verraden ze duidelijk dat de handwerkslieden nog niet geheel vertrouwd waren met de nieuwe technieken.

De perfectionering van deze technieken bereikten de Egyptenaren pas vanaf het Nieuwe Rijk. In het graf van Rechmire, de vizier van farao Thoetmosis III (1479-1425 v.Chr.), zien we bronswerkers afgebeeld: met blaasbalgen (een andere Aziatische vinding) wakkeren ze het vuur aan waarop een groot aantal smeltkroezen wordt verhit. Volgens het bijschrift wordt hier gewerkt aan het gieten van de enorme, met goud ingelegde deuren voor de Amontempel bij Karnak. Veel van het bronsmateriaal uit het Nieuwe Rijk is echter verloren gegaan en omgesmolten, en behalve wat vaatwerk uit grafvondsten is er in feite weinig bekend over deze periode. Gelukkiger zijn we voor de zogenaamde Derde Tussenperiode (1070-712 v.Chr.), een tijdperk van politieke onrust dat op het ineenstorten van het centrale gezag en van het Egyptische buitenlandse imperium volgde. Ondanks de heersende anarchie, waarbij verscheidene locale koningshuizen elkaar bestreden, bloeide de bronskunst als nooit tevoren. Aan de juiste proportionering van de figuren werd grote aandacht besteed. Veel figuren bestonden uit een aantal losse onderdelen, die zo precies gegoten waren dat ze daarna konden worden geassembleerd. Vaak werd het oppervlak vervolgens geciseleerd of met goud, zilver of halfedelstenen ingelegd.

De grootste bloei kende de Egyptische bronsindustrie in de Late Periode en onder de PtolemaeŽn (712-31 v.Chr.). In deze tijd was er een sterke opbloei van allerlei locale pelgrimsoorden en andere heiligdommen. Bronsfiguurtjes en andere religieuze attributen werden massaal vervaardigd om verkocht te worden aan de gelovigen, die ze - al of niet voorzien van een inscriptie - aan de plaatselijke godheden offerden. De wasmodellen werden zeer nauwkeurig vervaardigd uit verschillende losse ledematen, kledingstukken en attributen, die in gereed liggende gipsvormen werden afgegoten. Al deze gipsmallen waren in diverse grootten aanwezig, zodat het mogelijk was figuren van verschillende formaten toch steeds volgens de exacte proportieregels van de Egyptische kunst te produceren. Veel van deze figuren zijn hol gegoten.

2.2 Het Nabije Oosten
De bewerking van metalen kent in het Nabije Oosten een lange traditie. Omstreeks 6900/6800 v.Chr. werd in Oost-Turkije reeds gebruik gemaakt van koper voor de productie van priemen en kralen, en ook in het zuidwesten van Iran werd koper al vůůr 6000 v.Chr. gebruikt. Aanvankelijk werd dit metaal simpelweg in koude staat gehamerd in de gewenste vorm; de technieken voor het echte smelten van koper en het gieten in eenvoudige open gietvormen of tweedelige, gesloten mallen, werden waarschijnlijk omstreeks 5500 v.Chr. ontwikkeld, maar waren met zekerheid duizend jaar later in Iran bekend. De vormen waren simpel, een situatie waar pas met het verschijnen van de "verloren was" methode verandering in lijkt te komen. Desalniettemin werd koper slechts in beperkte mate toegepast, mogelijk te wijten aan de relatieve zachtheid van dit metaal; voor het vervaardigen van wapens en werktuigen bleef steen de belangrijkste grondstof. De "uitvinding" van brons bracht evenwel een duidelijke ommekeer teweeg.

Brons verscheen in het Nabije Oosten voor het eerst omstreeks 3000 v.Chr., doch werd pas ruim een millennium later een massaproduct. Vele van de metalen voorwerpen die eerder als brons bestempeld waren, bleken bij nader onderzoek ůf van koper, ůf van een legering van koper met arseen, lood of antimoon vervaardigd zijn. Brons werd gebruikt voor de productie van wapens en werktuigen, maar ook voor de vervaardiging van beelden, reliŽfs en meubilair. De Assyrische koning Assur-nasirpal II had een houten troon afgewerkt met gedecoreerde bronzen platen. Een puur bronzen troon stamt uit Van, de hoofdstad van het koninkrijk Urartu in Oost-Turkije. Beroemd zijn de met brons beklede poorten uit de Assyrische stad Imgur-Enlil (het huidige Balawat), vervaardigd in opdracht van Shalmaneser III en rijkelijk gedecoreerd met afbeeldingen van veldslagen en andere prestaties van de vorst. Helaas niet bewaard gebleven zijn de reusachtige en in oude teksten geroemde bronzen beelden van stieren, leeuwen en griffioenen, staande aan de stads- en paleispoorten van Babylon; naar alle waarschijnlijkheid zijn deze beelden omgesmolten in latere tijd (een andere mogelijkheid is uiteraard dat ze nog niet gevonden zijn).

AssyriŽ drukte al vroeg een belangrijk stempel op de fabricage van brons: in de jaren tussen ca. 1925-1715 v.Chr. was de handel in tin, onmisbaar voor het vervaardigen van brons, grotendeels in handen van Assyrische kooplieden. Zij voorzagen, via een uitgebreid netwerk van handelsnederzettingen, de bronssmeden in AnatoliŽ (grofweg het moderne Turkije) van tientallen, zo niet honderden tonnen tin, in ruil voor Anatolisch zilver en goud. Ofschoon de Anatolische bronsproductie in het 2de millennium v.Chr. van enorme omvang geweest moet zijn, is toch weinig bekend omtrent de figuratieve bronskunst uit deze streken. Minder dan 100 bronsfiguurtjes zijn momenteel gepubliceerd, waarvan sommige zeer primitief van vorm en afwerking zijn, andere echter van groot vakmanschap getuigen.

In het 1ste millennium v.Chr. bereikte de figuratieve bronskunst in het Nabije Oosten een ongekende hoogte. Een fameus centrum van metaalbewerking is wederom AssyriŽ, dat door de vele succesvolle militaire campagnes in de buurlanden ruim kon beschikken over metaal. Sargon II maakte in een inscriptie gewijd aan de goden van Assur gedetailleerd melding van de uitzonderlijk grote hoeveelheden koper en brons die hij buit maakte gedurende zijn veldtocht in Urartu in 714 v.Chr. Eindeloze reeksen mens- en dierfiguren, goden- en demonenbeeldjes werden in brons vervaardigd, soms van enorme omvang. Koning Sargon en, later, diens zoon Sanherib gaven opdracht tot de vervaardiging van kolossale, metershoge leeuwenbeelden, waarvoor tientallen tonnen brons benodigd waren (Sanheribs beelden hadden naar schatting elk een gewicht van 90 ton...). Deze vorsten legden een grote belangstelling voor metaalbewerking aan de dag en maken in annalen melding van het feit dat zij naar SyriŽ trokken om aldaar nieuwe mijnen te ontsluiten en de Syrische smeden aan het werk te zien.

De smeden en metaalgieters huisden in specifieke wijken, b.v. in de hoofdstad Assur rondom de Tabira-poort, de "Poort van de Metaalgieters". Assyrische koningen beroemden zich erop dat zij de poort voorzagen van een bronzen bekleding of in de nabijheid offers brachten aan Nergal, de beschermgod van de metaalgieters. De tempels gewijd aan Nergal in de koningssteden Assur, Nimrud en Ninive lijken een belangrijke rol gespeeld te hebben in de handel en opslag van koper en brons, mogelijk ook in de fabricage van metalen voorwerpen.

Ook elders nam de bewerking van brons een hoge vlucht. In het noordoosten van Turkije en in de Kaukasus bloeide tussen 900 en 600 v.Chr. het koninkrijk Urartu, een geduchte concurrent van AssyriŽ. Talrijke bronzen voorwerpen uit tombes, tempels en paleizen illustreren het vakmanschap van de Urartese smeden. Befaamd zijn onder andere de rijk versierde meubelstukken, de bronzen gordels en votiefplaten, en de grote ketels met opzetstukken in de vorm van gevleugelde sirenen en stieren. Veel minder is bekend omtrent de bronsindustrie in de neo-Hettitische stadstaatjes in het heuvelland van zuidoost-AnatoliŽ en de aangrenzende Syrische laagvlakte. Deze plaatsen hebben een grote faam op het terrein van monumentaal beeldhouwwerk in steen, maar dat ook de bronskunst op een hoog peil stond, wordt getoond door het kleine altaar met godenpaar, een meesterlijk miniatuurtje.

In het uitgestrekte Iran treft men verschillende bronsculturen aan, vooral in het gebied rondom de Kaspische Zee en in het moeilijk toegankelijke, bergachtige Luristan in het westen. De beroemde bronscultuur van Luristan, ontstaan omstreeks 1000 v.Chr., is vooral bekend van vondsten in grafvelden en omvat een wijd scala aan prachtige bronzen wapens, vaatwerk, sieraden, figuurtjes, paardentuig en andersoortig gerei. Luristan bronzen kenmerken zich door een rijke en opmerkelijk gestileerde decoratie waarin vooral diermotieven een grote rol spelen. Ook de "dierenbedwinger", een vaak demonisch aandoende, menselijke figuur in gevecht met wilde dieren of monsters, is een vaak terugkerend thema. Ofschoon de bronskunst van Luristan een geheel eigen karakter heeft, zijn invloeden uit het naburige AssyriŽ en BabyloniŽ soms duidelijk waarneembaar. De Assyrische koningen hebben bij diverse militaire campagnes Luristan doorkruist en zelfs grote delen bezet, waarbij zij tevens hun sporen in lokale kandwerktradities hebben achtergelaten. De Luristan bronzen zijn mogelijk het werk van nomaden; permanente nederzettingen lijken in het vroege eerste millennium in het bergland vrijwel te ontbreken.

Omstreeks 800/750-600 v.Chr. vond het gebruik van ijzer een algemene ingang, vooral voor de productie van wapens. Brons werd nu vaak nog gebruikt voor de vervaardiging van pronk- en paradewapens en allerlei siergoed, zoals vaatwerk en figuurtjes. Soms treffen we combinaties aan van brons en ijzer, waarbij brons in eerste instantie voor decoratieve doeleinden werd aangewend. Zo tonen dolken soms een ijzeren lemmet, terwijl de handgreep met brons bekleed is.

2.3 De klassieke wereld
Verwijzingen naar bronzen kunstvoorwerpen zijn bijzonder talrijk in de literatuur van Grieken en Romeinen. De techniek van het werken in was en de meesterschap over het gecompliceerde gietproces stonden in hoger aanzien dan het beeldhouwen in marmer. Het modelleren in was liet een grote mate van detaillering toe. Na het gieten werden standbeelden nog afgewerkt met vijl, scalpel en burijn. Details zoals lippen en wenkbrauwen werden in rood koper uitgevoerd. Ogen konden worden ingelegd met glaspasta, metaal en ivoor. In dit opzicht is het beeld van de oudheid zoals wij dat leren kennen in musea en op opgravingsterreinen vertekend: het marmer en het aardewerk hebben de tand destijds redelijk goed doorstaan, terwijl de monumentale bronzen beelden en het kostbare vaatwerk op enkele uitzonderingen na ten offer zijn gevallen aan de smeltovens. Nog in de 18e eeuw werden de kerkklokken van het Italiaanse dorpje Montecchio gegoten van brons, dat afkomstig was van Etruskische "heidense idolen".

Om een indruk te krijgen van de rijkdom aan antieke monumentale bronzen beelden is de lectuur van de Romeinse auteur Plinius (1ste eeuw na Chr.) verhelderend: in zijn Naturalis Historiae vermeldt hij dat de stad Athene ter ere van Demetrios van Phaleron 360 beelden liet opstellen, die enkele jaren later alle weer werden vernield. Bij de inname door de Romeinen van de Etruskische stad Volsinii in 265 v.Chr. werden volgens Plinius 2000 beelden van brons buitgemaakt. De hoge magistraat Marcus Scaurus stelde in 85 v.Chr. zelfs 3000 bronzen beelden op in een theater. Op het eiland Rhodos, een centrum van kunsten en wetenschappen, telde Plinius 73.000 beelden van brons. Enorme aantallen kunstwerken, waarvan de kwaliteit natuurlijk niet altijd even hoog hoeft te zijn geweest. Echter, ook de beroemdste beelden uit de oudheid zijn oorspronkelijk van brons geweest: de discuswerper van Myron, de lansdrager van Polykleitos, de atleet van Lysippos en de LaokoŲngroep waren scheppingen in brons, maar deelden het lot van de talloze, boven vermelde anonieme beelden. Zij werden omgesmolten tot wapens of ploegscharen. Dat wij deze beelden nog kunnen waarderen is te danken aan het feit dat al in de oudheid kopieŽn van marmer werden vervaardigd, die een indruk van het origineel verschaffen.

Gedurende de Bronstijd in het EgeÔsche gebied (ca. 3000-1000 v.Chr.) waren het de MinoŽrs op Kreta, die beeldjes van mensen en dieren in brons vervaardigden (nr. 23). Hun opvolgers de Myceners werkten liever in terracotta en reserveerden het brons voor wapens en gebruiksvoorwerpen. Met het einde van de Bronstijd werd dit metaal niet meer voor wapens gebruikt; het ijzer nam deze functie over. Brons werd wel op uitgebreide schaal benut voor de vervaardiging van huisraad en kunstwerken. De uitvinding van het gieten van holle beelden, waarschijnlijk overgenomen uit Egypte of FeniciŽ, maar door de Grieken toegekend aan de 6de-eeuwse kunstenaars Rhoikos en Theodoros van Samos, liet de vervaardiging van grote beelden toe. Uit de bloeitijd van de Griekse kunst, de 5de eeuw v.Chr., stammen de eerder genoemde meesterwerken van Myron, Polykleitos en Lysippos, hol gegoten met behulp van een kern. Door de Perzen werden de holle beelden gezien als een rariteit: bij de inname van Athene in 480 v.Chr. namen zij enkele beelden als oorlogsbuit mee. Slechts weinig originele 5de-eeuwse beelden zijn (geheel of gedeeltelijk) bewaard gebleven, waaronder de twee indrukwekkende krijgers, die bij het Zuid-Italiaanse Riace in zee zijn gevonden.

In ItaliŽ zijn vooral de Etrusken beroemd geworden door hun vakmanschap in de bronsbewerking. Hiervan getuigen nog de grote beelden van de wolvin op het Kapitool van Rome, de Chimaera van Arezzo en het levensgrote beeld van Aulus Metellus (de Arringatore) in het archeologisch museum van Florence. Kleinere beeldjes werden in grote hoeveelheden gewijd aan de goden: het Rijksmuseum van Oudheden bezit een rijke collectie van dergelijke stukken, afkomstig uit de omgeving van het stadje Cortona bij het Trasimeense Meer. Huisraad en wapens van Etruskische makelei werden tot ver over de Alpen geŽxporteerd: ze zijn teruggevonden in Noord-Duitsland, Denemarken, Engeland, Schotland en Ierland.

Monumentale beelden werden opgesteld ter ere van de Romeinse keizers: de bronzen kolos van Nero in Rome leende zijn naam aan het nabij gelegen Colosseum. Veel van deze grote werken gingen verloren: het prachtige ruiterstandbeeld van keizer Marcus Aurelius geeft echter nog een indruk van het meesterschap in vorm en techniek dat de Romeinse artiesten wisten te bereiken.

De vondsten uit Pompeii en Herculaneum tonen de verfijning die de Romeinen legden in de vervaardiging van hun bronzen siervoorwerpen: meubels zijn bekleed met bewerkte bronzen platen, godenbeeldjes sierden het huisaltaar, wijn werd geserveerd in wijnserviezen. Het waren de Romeinen die deze rijke materiŽle cultuur in ons land introduceerden.

2.4 Nederland in de Romeinse tijd
Tussen 12 v.Chr. en 406 na Chr. stonden grote delen van ons land onder Romeins gezag. Vooral de periode tussen ca. 50 en 250 na Chr., waarin de Oude Rijn de officiŽle noordgrens vormde van het Imperium Romanum (het Romeinse keizerrijk), heeft een schat aan Romeinse sier- en gebruiksvoorwerpen opgeleverd. De meeste van deze voorwerpen zijn uiteraard aan het licht gekomen in het deel van Nederland ten zuiden van de Oude Rijn, dat tot het Imperium Romanum behoorde, maar ook in Noord-Nederland zijn Romeinse objecten gevonden. Het betreft dan vooral luxe gebruiksvoorwerpen en sieraden van brons, zilver en goud, die daar waarschijnlijk terecht zijn gekomen als betaling voor geleverde producten of als geschenk aan een inheems stamhoofd met wie de Romeinse overheid contacten onderhield. Vooral bronzen godenbeeldjes waren geliefd, waarschijnlijk niet alleen vanwege hun schoonheid, maar ook om er de eigen goden mee te vereren. In beeldjes van de Romeinse god Mars, met zijn helm op, herkenden de Friezen hun eigen, inheemse oorlogsgod.

Figuurlijk brons komt voor in de vorm van beeldjes van goden, mensen en dieren, bedoeld om vrij te staan of om ergens op bevestigd te worden. In het laatste geval betreft het meestal een buste of het bovenste, c.q. voorste, deel van een dier, dat protoom wordt genoemd. Voorwerpen die werden versierd met bustes of protomen zijn bijvoorbeeld mes- en sleutelheften, gewichten en vaatwerk. Mensen, goden en dieren figureren ook vaak op leder- en meubelbeslag, wapenrusting, sieraden en vaatwerk. Hierbij zijn de figuren soms heel plastisch uitgewerkt, soms slechts in licht reliŽf weergegeven of ingegrift. Aparte categorieŽn zijn de maskers in de vorm van het menselijk gelaat, de amuletten in de vorm van geslachtsorganen en de onderdelen van keizerbeelden.

Op de vraag naar de herkomst van de provinciaal-Romeinse bronzen, is het antwoord niet altijd met zekerheid te geven. De artistieke waarde van de voorwerpen maakt ze erg aantrekkelijk voor de kunsthandel, waar de herkomst meestal geen rol speelt of aangepast wordt aan de wensen van de klant. Veel belangrijke informatie gaat op die manier verloren. De oorspronkelijke context had immers een datering kunnen geven of informatie over het gebruik van het voorwerp. Maar zelfs al is de herkomst bekend, dan blijven er nog vragen genoeg over. Veel bronzen voorwerpen worden opgebaggerd uit de rivieren. Als de plaats waar dat is gebeurd al bekend is, hebben we nog geen antwoord op de vraag hoe de stukken in de rivier zijn terechtgekomen. Zijn ze verloren of door oeverafkalving in het water beland, of zijn ze opzettelijk in het water gegooid als offer aan riviergoden? Feit is wel dat de Nederlandse rivieren opmerkelijk veel bronsvondsten hebben opgeleverd.

Ook voor de bronzen beeldjes die in de grond worden gevonden, geldt vaak dat weliswaar de plaats waar dat gebeurde bekend is, maar niet de vondstomstandigheden. Vooral in het verleden werd namelijk vaak niet eens gelet op begeleidende vondsten of grondsporen, een euvel dat helaas tegenwoordig ook de kop weer opsteekt bij vondsten gedaan met een metaaldetector.

Gelukkig worden steeds meer beeldjes en ander figuurlijk brons gevonden tijdens wetenschappelijk verantwoorde opgravingen. Hier levert de archeologische context vaak een datering of een aanwijzing voor het gebruik van het stuk. Het gebruik wordt overigens meestal alleen duidelijk als het een grafvondst of een depotvondst betreft. Bij een grafvondst weten we dat het stuk aan de overledene is meegegeven op zijn reis naar het dodenrijk. Bij een depotvondst betreft het stukken die in de eredienst voor goden gediend hebben.

Een unieke depotvondst werd onlangs gedaan te Empel (gem. 's-Hertogenbosch). Opgravers vonden de resten terug van een tempel uit de Romeinse tijd. Op het tempelterrein werden vele kuilen aangetroffen met figuurlijk brons en sieraden: wijgeschenken aan de godheid, die na verloop van tijd ritueel waren begraven in een speciaal daartoe bestemde kuil. Dergelijke begravingen werden bijvoorbeeld uitgevoerd als de tempel te vol werd met wijgeschenken en er plaats moest worden gemaakt voor nieuwe.

Bronzen beeldjes stonden overigens niet alleen in openbare heiligdommen opgesteld. Elk Romeins gezin had zijn eigen huisaltaar. In Pompeii zijn de Romeinse huizen vrij goed bewaard, bedolven onder een laag vulkanische as na de uitbarsting van de Vesuvius in 79 na Chr. In deze huizen bevond zich in de wand van de centrale ruimte meestal een nis met aan weerszijden halve zuiltjes (anten), bekroond met een geveldriehoek of fronton. In zo'n nis stonden meestal enige godenbeeldjes opgesteld en een bakje om wierook te branden. Hoewel in Nederland nooit resten van huisheiligdommen zijn teruggevonden, is het -- te oordelen naar het aantal bronzen beeldjes dat bij nederzettingsonderzoek wordt teruggevonden -- goed mogelijk dat ze er wel geweest zijn.

Naast bagger-, graf-, depot- en nederzettingsvondsten is er nog een categorie: de schatvondsten. Men is geneigd hierbij meteen aan een pot gouden munten te denken; echter, ook een partij kostbaar vaatwerk of figuurlijk brons, zomaar ergens in de grond verstopt in de hoop op betere tijden, wordt een schatvondst genoemd. Het is goed mogelijk dat de verzameling bronzen vaatwerk en lederbeslag, opgebaggerd uit de Rijn bij Doorwerth, eigenlijk een schatvondst betreft, die door oeverafkalving in de rivier is beland.

Rest nog de vraag waar het figuurlijk brons dat uit Nederlandse bodem tevoorschijn komt gemaakt is. Tot op heden zijn geen aanwijzingen gevonden voor het bestaan van bronsateliers van bijvoorbeeld vaatwerk of beeldjes in Nederland in de Romeinse tijd. In de 1ste eeuw werd dergelijk materiaal ongetwijfeld geÔmporteerd vanuit ItaliŽ. Zeer befaamde bronskunstenaars, die hun producten tot in Nederland geŽxporteerd zagen, hadden hun atelier te Capua. De naam van ťťn van hen: Cipius Polybius, staat gestempeld op het oor van steelpannen afkomstig uit Nijmegen. Vanaf het einde van de 1ste eeuw zullen ongetwijfeld Gallische en Keulse bronsateliers de rol van de Capuaanse hebben overgenomen.
 

 

Bronzen Beelden, Borstbeelden, Sculpturen, Grafmonument, Bronzen dieren, Bronzen vogels, Tuinbeelden, Awards, Bedrijfsjubilea, Bedrijfsjubileum, Kijk en vergelijk, Lia Krol, Contact, In opdracht, 25 jaar jubileum, Huwelijksgeschenk, Zwangerschap, Borstbeeld, Drie broers, Portret in Tuin, Standbeelden, Zusjes, Glas en brons, Beeldentuin, Bronstijd,