e-mail
728X9002

Home

Bronzen beeldenrij

De Bronstijd

De Bronstijd komt na de Steentijd en loopt van 2300 v.Chr. tot 800 v.Chr. Het begin van deze nieuwe periode betekende niet dat een bepaald kenmerk uit de voorgaande periode verdween. Zo is steen nog heel lang in gebruik gebleven naast Brons en IJzer.

De Bronstijd kan worden onderverdeeld in:

  • Vroege Bronstijd 2300 - 1600 v.Chr.
  • Midden Bronstijd 1600 - 1100 v.Chr.
  • Late Bronstijd 1100 - 800 v.Chr.

In Midden Europa kent men ook nog een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd. In West Europa benoemt men geen Kopertijd en volgt de Bronstijd direct op de Steentijd.

In ons land zijn met name in Drenthe en Noord Holland tientallen plattegronden van boerderijen bekend. Ten zuiden van de Maas zijn wel nederzettingslocaties bekend, maar weinig sporen van woningen. Het gebied was wel intensief bewoond.

Omgeving

Vanaf het Laat Neolithicum lijkt het West Friese land herhaaldelijk te zijn bewoond en weer woest geworden te zijn. Dit was afhankelijk van het bewoonbaar zijn van het gebied dat aan constante verandering onderhevig was.

Gedurende 800 jaar bewoning is de zeespiegel zo’n 75cm gestegen. Er was een toenemende vernatting en er ontstond steeds meer veen.

Het gebied bestond uit kleiige ruggen en zandige geulen, het was een open landschap dat aantrekkelijk was voor veeteelt. In de lagere delen was zoetwater met riet en Elze en Wilgenbroek bos met zeer vruchtbare ondergrond. Het bouwland was voornamelijk op de licht bewerkbare gronden, de fijnzandige kruinen. De bewoning was op de ruggen.

In de Vroege Bronstijd waren er vlakgraven en grafheuvels te zien, die per cluster binnen een bepaald gebied gebruikt werden. Uit de Vroege Bronstijd zijn sporen van huizen en gegraven perceelgrenzen bekend. Uit latere periode opgevulde sloten die om terpjes hebben gelegen. Deze overgang rond de 10e eeuw hangt samen met de stijgende waterspiegel waardoor de bewoners hun huizen op terpjes gingen bouwen.

De huizen werden door de kolonisten hoog op de flank van de rug gebouwd. Daarna werden in de loop van deze eeuw de huizen steeds lager op de flank gesitueerd en tenslotte werden de terpjes weer hoger op de flank gebouwd.

Behuizing

De mensen in de Bronstijd hadden voornamelijk een boeren bestaan. De boerderij in de Bronstijd was meestal een woon-stalhuis waarin het vee in de winter ook binnen stond. Het woongedeelte was het kleinst, hier was in de regel ook de haardplaats te herkennen. De boerderijen varieerden sterk in afmeting; sommigen waren 5 x 18m en anderen hadden een lengte tot 65m.

In de Vroege Bronstijd zijn de huizen evenals in de Late Steentijd tweeschepig. De indeling was meestal afgeleid van de plattegrond van staanders en wandpalen.

In de Midden Bronstijd veranderde de bouwwijze van de huizen in een drieschepige traditie. Dit betekende dat er in het huis twee parallelle rijen staanders stonden die het dak ondersteunden. De boerderijen werden nu veel langer en men ging het vee in huis stallen. in de Late Bronstijd bleven de boerderijen drieschepig, maar werden veel kleiner.

Het stalgedeelte in het huis kenmerkte zich door de aanwezigheid van kleine tussen wandjes die dwars op de buitenwand stonden. Deze worden geÔnterpreteerd als veeboxen. Door de drieschepigheid ontstond in het midden een soort deel. Gevonden botten geven aan dat hier voornamelijk runderen en klein vee hebben gestaan.

Het woongedeelte kenmerkte zich minder duidelijk door vondsten. Op sommige opgravingen zijn sporen van een haard in het midden van het huis teruggevonden. Op erven rond de Bronstijdboerderijen zijn spiekers teruggevonden (opslaghuisjes voor granen). In West Friesland ontbreken deze huisjes en waren cirkelvormige greppels aangetroffen met in het midden ongedorst graan. Een andere opslagwijze voor graan in droge gebieden waren opslagkuilen.

Op een aantal erven zijn plattegronden van ťťn- of drieschepige gebouwtjes gevonden die worden geÔnterpreteerd als schuurtjes. In Archeon is een Midden Bronstijdhuis gereconstrueerd, op het erf liggen akkers en staat een schuurtje.

De erven kunnen omheind zijn geweest, er zijn sporen van gevonden die wijzen op het gebruik van dunne stake met vlechtsel ertussen. De grootte van het erf kan ongeveer 0,25 - 0,5 hectare zijn geweest.

Transport en wegen

Er lijken paden te zijn geweest die langs de flanken van de rug liepen met af en toe een vertakking naar een op de kruin gelegen boerderij. Ook zijn er resten van wegen/paden gevonden, met name in Drenthe. Er zijn een aantal fragmenten van houten wielen gevonden. Het zijn wielen uit drie planken die ten opzichte van elkaar werden verzekerddoor houten pennen. De planken werden bij elkaar gehouden door buigzame spiezen die in lange gebogen kanalen werden geslagen.

 Akkerbouw

Terreinen met eersporen toonden aan dat akkers vaak langdurig in gebruik waren, soms onderbroken door een nederzettingsverplaatsing of periode van braak. Er is bekend dat de Bronstijdboer Emmertarwe, Gerst, Pluimgierst, Erwt en Lijnzaad verbouwden. Zowel in Groot BritanniŽ als in Denemarken zijn resten van eergetouwen gevonden.

Begravingen

De Grafheuveltraditie uit het Laat Neolithicum wordt in de Bronstijd voortgezet. Men bleef aarden heuvels opwerpen over centrale lijkbegravingen.

In de Midden Bronstijd kregen heuvels steeds vaker een markering aan de voet, zoals paalcirkels of ringsloten. ook werden in de Midden Bronstijd bijzettingen gevonden aan de voet van een heuvel.Crematiegraven kwamen ook voor. Hierbij werden de verbrande resten in een grafkuil of boomkist gedeponeerd. In de Late Bronstijd (vanaf 1100 v.Chr.) werd deze lijkverbranding een traditie.

De resten werden in urnen, een doek of los in een kuil begraven. Er verschenen nieuwe typen grafmonumenten, veelal voor individuen, die samen grote urnenvelden vormden.Dezeurnenveldenperiode liep door tot in de Vroege IJzertijd.

Brons

Het gebruik van metalen (met name brons) voorwerpen begon in Nederland pas rond 2000 v.Chr.

Metaal had een aantal voordelen boven steen. Het kon tot vrijwel elke vorm worden bewerkt en de snijdende kant kon dunner en gemakkelijker weer scherp gemaakt worden.

Koperertsen werden in de gebergten van Midden- en Zuid Europa aangetroffen (Karpaten) en ook langs de Westkust van Zuid Engeland.

Zeer waarschijnlijk werd het erts gereduceerd tot gedegen koper en dan vervoerd. Puur koper is vrij zacht. Brons is een legering van 10% tin en 90% koper. Dit maakte het materiaal harder. Voor het maken van bronzen voorwerpen kon het metaal gehamerd of gegoten worden.

Koper, maar ook Brons, is nog vrij zacht waardoor het materiaal uitgehamerd kon worden naar eenvoudige messen, bijlen, beitels en sieraden. Ook kon het metaal door verhitting vloeibaar worden gemaakt en in mallen gegoten. De bijlen maakten gedurende de Bronstijd een ontwikkeling door. In de eerste fase kennen we de bijlen met lage randlijsten. In de Midden Bronstijd kwamen er bijlen voor met hoge randlijsten en randhielbijlen. Deze randhielbijlen hadden hoge randen en een overdwarse hielrichel. In deze Midden Bronstijd was er een sterke toename van allerlei bronzen voorwerpen te zien zoals bijlen, lanspunten, zwaarden, dolken, messen en sieraden.

In de Late Bronstijd waren kokerbijlen het meest in zwang, deze waren hol. Het hout van de bijlsteel kon nu in de bijlkop geschacht worden.

Tempel

Bij Bargeroosterveld in Drenthe zijn resten gevonden van een houten bouwwerk dat geÔnterpreteerd werd als een soort tempeltje.

Het gebouwtje was omringd met een krans van stenen. Er zijn vijf van de hoornvormige uitsteeksel van de bovenbouw gevonden, los in het veen.Er stonden vier kortere palen waarop misschien wel een doodsbaar gestaan heeft, het zou kunnen dat het als dodenhuisje heeft gediend.

Aardewerk

In de Vroege Bronstijd was het wikkeldraad aardewerk nog in heel Nederland te vinden. In de Midden- en Late Bronstijd trad er een diversificatie in de verschillende delen van ons land op. Al het aardewerk werd in de Bronstijd gemagerd met zand, aardewerkgruis of gebroken kwarts. Gedurende de hele Bronstijd kwamen nagel- en vingerafdrukken voor op de potten. In de Late Bronstijd werden de potten gepolijst. Waarschijnlijk maakte elk huishouden zijn eigen aardewerk.

Steen

Stenen werktuigen bleven ook in de Bronstijd in gebruik. Enerzijds omdat het materiaal voor iedereen bereikbaar was, anderzijds omdat ze voor bepaalde doeleinden beter geschikt waren. De stenen werktuigen werden vaak in vattingen van hout, been of gewei ingezet. Vuurstenen pijlpunten zijn uit de Vroege Bronstijd nog bekend. Ook maakte men dolken en sikkels van vuursteen.

Textiel

Textiel werd ook in de Bronstijd wegens de vergankelijkheid van het materiaal in Nederland zelden aangetroffen. Indirect duidden ook hier weefgewichten en spinklosjes op het vervaardigen van stoffen.

Er zijn in Nederland uit de Late Nieuwe Steentijd in het Buinerveen en uit de Late Bronstijd schoenen gevonden. Met name in Denemarken zijn redelijk wat textielvondsten gedaan uit de Bronstijd. Uit deze periode van de Prehistorie kon een kledingstuk gereconstrueerd worden. In Jutland is een wollen koord-rokje gevonden, een wollen hes en een riem met bronzen schijf. Deze dracht lijkt geen dagelijkse te zijn, misschien gaat het hier om een dansrokje of rituele dracht.

De riem is gemaakt van kaartweefsel. Er zijn ook haarnetjes en sieraden gevonden die het kledingbeeld uitbreiden. Andere vondsten uit Denemarken laten lange wollen rokken zien, in de taille gerimpeld en met een band bijeengehouden.

Goden en helden uit de bronstijd

Europa in de tijd van Odysseus

door Mirjam Hoijtink, SCARABEE Nr.39, APRIL 1999
Eeuwenlang werden de spannende verhalen van Odysseus' omzwervingen en beproevingen bij het haardvuur verteld. Homerus stelde ze op schrift. Door die overlevering kunnen wij ons een beeld vormen van enkele episodes uit de bronstijd, die ruwweg gedateerd wordt tussen 2500 v.Chr. en 800 v.Chr. De meeste kennis over die periode is verkregen door de archeologie. In een grote, door de Raad van Europa georganiseerde tentoonstelling die verschillende plaatsen in het buitenland aandoet, is te zien hoe Europa in een heel ver verleden een soort van eenheid was. Soms geeft de wereld heel onverwacht een goed bewaard geheim prijs. In 1991 gebeurde dat in de ÷tztaler Alpen, op de grens van ItaliŽ en Oostenrijk. Smeltende sneeuw bood enkele bergbeklimmers het zicht op de resten van een man die uitgegleden, bevroren en gestorven was. Na een grootschalig onderzoeksproject bleek dat voorval meer dan vijfduizend jaar geleden; in de late steentijd, had plaatsgevonden.
÷tzi, zoals men de mummie spoedig liefdevol noemde, werd achtereenvolgens gezien als herder, jager, sjaman, krijger, ambachtsman en reiziger. In de omvangrijke catalogus Gods and Heroes of the Bronze Age, die bij de gelijknamige tentoonstelling verschenen is, krijgt het voorval meer aandacht dan je zou verwachten. De auteurs beschouwen hem als de personificatie van de late steentijd: hij was onderweg - op zoek naar nieuwe bestaansbronnen en exploitatiemogelijkheden. Daarmee wordt ÷tzi het opstapje naar de revolutie die zich kort na zijn dood voltrok. Deze had te maken met de uitvinding van de legering van koper en tin, waardoor het veel sterkere brons ontstaat.

 

HiŽrarchie

In het derde millennium v.Chr. was Europa in beweging. De inmiddels gedomesticeerde dieren werden voor de wagen gespannen om het land te ploegen. De landbouw werd geÔntensiveerd en het gemengde bedrijf, compleet met melkhouderij en wolproductie vond zijn intrede. In de mediterrane wereld, vooral in het gebied rond de AegeÔsche Zee, viel deze manier van leven samen met de ontwikkeling van olijfteelt en wijnbouw en de import van metalen uit het Midden-Oosten. Waar aanvankelijk sociale verschillen op het eerste gezicht misschien niet zo'n rol speelden, kwam daar nu radicaal verandering in. De eerste grote stenen woningen werden voor de olijf en wijnboeren gebouwd. De regio werd van hen afhankelijk en zij toonden hun macht; de hiŽrarchie werd op allerlei niveaus duidelijk. 

Met de handelsnetwerken over zee en over land, die tegen de dageraad van het tweede millennium v.Chr. behoorlijke vormen aannamen, werd ook de honger naar exclusieve en luxegoederen gestild. De bewoners van MinoÔsche paleizen en andere urbane nederzettingen zoals Troje, kwamen in ruil voor olijfolie en wijn in bezit van de mooiste spullen die er te krijgen waren. Inmiddels ontstond in Mycene de eerste Europese staat op het vasteland. Meer dan ooit tevoren werd het graf de spiegel van het leven. Archeologen kunnen aan de talrijke, zeer verschillende graven van de bronstijd heel nauwkeurig de verregaande sociale differentiatie aflezen. Veel uit die graven afkomstige objecten zijn nu grotendeels in het bezit van de Nationale Musea in Athene en Herakleion, en in de tentoonstelling te zien.

In heel Europa zijn geen paleizen of andere gebouw-structuren teruggevonden die vergelijkbaar zijn met die van de MinoÔsche en Myceense culturen op Kreta en Griekenland. Dat de verschillende beschavingen hiŽrarchischer werden als gevolg van het ontstaan van nieuwe machtscentra rond de koper- en tinmijnen was wel zichtbaar in het landschap, met name in de Balkan. Veel nederzettingen, gelegen op heuvels, werden voortaan versterkt. Brons was blijkbaar niet alleen goed voor luxe-artikelen, maar ook voor wapens. Die werden niet alleen voor krijgers gemaakt. Gezien de geringe slijtage van wapens die in graven gevonden zijn, wordt verondersteld dat deze veelal statussymbolen waren.

Uitwisseling

De laatste decennia heeft het onderzoek naar de herkomst van halffabrikaten producten van koper, brons en andere materialen een belangrijke stap voorwaarts gemaakt. Zo is duidelijk geworden dat men in Engeland voor de vervaardiging van bronzen voorwerpen de voorkeur gaf aan koper uit de Alpen boven dat van eigen bodem. De herkomst van tin is nog onduidelijk, maar zeker is dat men in Turkije liever grote hoeveelheden importeerde uit Afghanistan. De fayence voorwerpen in Knossos blijken niet uit Egypte afkomstig te zijn, maar uit centraal Europa. En in centraal- en noord- Europa zijn opvallend veel bronzen objecten geÔmporteerd tegen het bijzonder aantrekkelijke en vooral in de Griekse wereld zeer gewilde barnsteen, dat aanspoelde aan de Baltische zeekust. In de Griekse mythologie hield dit fossiele hars verband met de betekenis van het drama dat zich rond PhaŽthon voltrok. Nadat deze de dood vond in de zonnewagen van zijn vader Helios, veranderden zijn rouwende zusters, de Heliaden, in populieren. Hun tranen transformeerden in barnsteen. 

In het Europa van de bronstijd vond veel uitwisseling van symbolen en objecten plaats. Op zichzelf is het daarom niet verwonderlijk, maar zeker niet minder ontroerend dat in Denemarken een drie kilo wegend bronzen model van de zonnewagen van Helios, versierd met bladgoud, is teruggevonden. Het object, vermoedelijk afkomstig uit Centraal Europa, is misschien wel een jaar onderweg geweest naar de eindbestemming.

Dankzij recente ontwikkelingen, nagenoeg allemaal onder te brengen onder de noemer 'archeometrie', is de informatie over datering en herkomst van objecten en sites uit de bronstijd met een duizelingwekkende hoeveelheid gegevens gegroeid. Samen met de Ilias en Odyssee, de verhalen over de patriarchaten in Genesis en de in deze eeuw ontcijferde kleitabletten van Kreta wordt de puzzel beetje bij beetje ingevuld. Wat met empirische gegevens niet te achterhalen valt is de inhoud van rituelen en ceremonies. Dat deze op grote schaal plaatsvonden wordt verondersteld vanwege de vele bouw- kundige constructies waarvan de betekenis nog niet achterhaald is en die daarom als 'religieus' worden bestempeld. Welke godsdienst werd beleden bij het heiligdom in het Drentse Bargeroosterveld? Hoe zagen de rituelen van de laatste fase van Stonehenge eruit? Begrepen de inwoners van het huidige Denemarken de betekenis van de zonnewagen van Helios?

In het najaar van 1998 woedde er in het graafschap Norfolk aan de Engelse oostkust een hevige storm die grote delen van het strand massaal deed verschuiven. Een jutter ontdekte kort hierna een ring van vierenvijftig eiken met in het midden een omgekeerde stronk. De naam van de dichtstbijzijnde negorij, Holme-next-the-Sea doet vermoeden dat deze door de zee geconserveerde tempel eeuwen geleden al is waargenomen. Inmiddels is bekend dat de 'bomentempel' is gebouwd tussen 2000 en 1200 v.Chr. Volgens Francis Pryor, voorzitter van de Council for British Archaeology, is de stronk 'een of ander altaar' en heeft de kring waarschijnlijk 'een religieuze functie' gehouden

bronstijd


Bron: Winkler Prins

de periode in de technisch-materiŽle ontwikkeling van in het algemeen ongeletterde (dus prehistorische) gemeenschappen, waarbij werktuigen en wapens van brons werden gebruikt, naast die van andere materialen (steen, vuursteen, been, gewei), terwijl ijzer nog onbekend was. Het begrip 'bronstijd' werd geÔntroduceerd door C.J. Thomsen in zijn drieperiodensysteem (steentijd, bronstijd, ijzertijd) als hoofdindeling van de Scandinavische prehistorie. Het vond daarna ook ingang in andere delen van Europa, en daarbuiten bijv. in het EgeÔsche gebied (de MinoÔsch-Helladisch-Cycladische fase), in JordaniŽ-SyriŽ en in China. De Indus-cultuur vormt in Noordwest-India de bronstijd. In Afrika ontbreekt deze fase en wordt de steentijd direct door de ijzertijd gevolgd. In Amerika kenden alleen de Inka het brons. De hoger georganiseerde samenleving van Egypte en MesopotamiŽ wordt met andere, historische criteria ingedeeld en niet met de technisch-materiŽle van de prehistorie. Voor de moderne archeoloog heeft het begrip 'bronstijd' steeds minder waarde. De ontdekking en de verbreiding van brons op zich had een aantal duidelijk zichtbare gevolgen, maar het was er slechts ťťn van een hele reeks technische innovaties, die het leven van de boer telkens vergemakkelijkten. Stellig hebben de scheidslijnen tussen neolithicum en bronstijd, en tussen bronstijd en ijzertijd, vooral te maken met de wijze waarop de prehistoricus zijn materiaal indeelt en in veel mindere mate met een cesuur in de menselijke ontwikkeling. De bronsmetallurgie komt voort uit de verwerking van koper en edele metalen (m.n. goud). In het Nabije Oosten gebeurde dit reeds in de Obeid-periode (El Ubaid, ca. 4500 v.C.), in Egypte in het laat-predynastische Gerzťen (ca. 3500 v.C.). In het Balkangebied werd reeds tijdens de late Vin&cbreve;a-cultuur kopermijnbouw bedreven, in C-14-ouderdom zeker enkele eeuwen vůůr 4000 v.C., hetgeen een werkelijke ouderdom betekent in de eerste helft van het 5de millennium (zie radiokoolstofdatering). Er schijnen zich min of meer onafhankelijk verschillende centra van vroege metaalbewerking te hebben ontwikkeld, waarvan de Balkan stellig een van de vroegste was. Vanuit de Balkan werden koperen kralen, spiraalvormige sieraden en eenvoudige vlakke bijlen verhandeld met de neolithische gemeenschappen in Noord- en West-Europa (resp. de vroege trechterbeker en de Cortaillod-cultuur). De ontdekking van het brons is waarschijnlijk toe te schrijven aan natuurlijke verontreinigingen van koperertsen met arseen en/of tin, welke vervolgens vanwege het gunstige effect (lager smeltpunt, harder metaal) bewust door legering werden nagestreefd. In SoemeriŽ is er aan het einde van de vroeg-dynastieke periode (ca. 2500 v.C.) reeds sprake van bronzen met een tinpercentage van 6 ŗ 10%; de EgeÔsche bronstijd begint ongeveer terzelfder tijd, doch is in het begin (vroeg-helladisch I) nog arm aan bronzen. In Centraal-Europa eindigt de kopertijd omstreeks 2300 v.C. met de ŕn&ebreve;tice-cultuur. Het schaarse voorkomen van koperertsen en in nog sterkere mate van tinerts bepaalden in sterke mate de nu volgende ontwikkelingen: er ontstond in vrij korte tijd een uitgestrekt systeem van indirecte ruilhandels- en uitwisselingsrelaties, via welke de bronzen werktuigen en wapens werden gedistribueerd naar gemeenschappen die niet over eigen grondstoffen beschikten. Waar dit wŤl het geval is, wordt een grote rijkdom aan bronzen gevonden: Bohemen, Beieren, Zuid-Engeland en Bretagne zijn de belangrijkste centra en merkwaardig genoeg ook Denemarken. In dit laatste geval vormde niet een erts, maar het felbegeerde barnsteen de basis van de economische bloei. In de loop van de bronstijd vond een geleidelijke perfectie van de technologie plaats. In Centraal- en Zuid-Europa werden in de late bronstijd complete wapenuitrustingen met harnas, helm en scheenbeschermers uit brons gehamerd. In ScandinaviŽ bereikte het bronsgieten in meerdelige vormen en volgens het verloren-wasprocťdť (cire perdue) een ongekende hoogte bij de Lur-horens en de gordeldozen. Werktuigen en wapens ondergingen een functionele en modieuze ontwikkeling, waarop de indeling van de bronstijd gebaseerd kon worden. Oscar Montelius (1843-1921) onderscheidde zo zes perioden (Montelius I-VI) voor de Scandinavische bronstijd (1800-600 v.C.), Paul Reinecke (1872-1958) deelde de Zuid-Duitse bronstijd (2200-750 v.C.) in zes fasen in: Bz A-D en Hallstatt A-B, elk met hun onderverdeling. In de bronstijd tekende zich sedert het begin een sociale stratificatie af, in de vorm van graven met ongewoon rijke grafgiften ('vorstengraven' genoemd), die uit het neolithicum niet bekend zijn. Men veronderstelt dat bronzen zich bij lokale 'stamhoofden' konden ophopen als relatiegeschenken van smeden-handelaars die met deze gewilde kapitaalgoederen rondtrokken. Rotsgraveringen in ScandinaviŽ, m.n. in Bohuslšn (Zweden) en ÷stfold (Noorwegen), henge-monumenten (Engeland) en offerdepots, waaronder de zonnewagen van Trundholm (Denemarken), laten zien dat de zon en de vruchtbaarheid van mens, dier en bodem een centrale plaats innamen in de bronstijdreligie van Noord-Europa. Het dagelijks bestaan van de gezeten boerenbevolking zal overigens weinig hebben verschild met het einde van het neolithicum: het wiel, de scheurploeg of eergetouw en het paard waren reeds bekend geworden. Inzicht in de kleding werd verkregen door de wollen kleren die in enkele eikenhouten boomkisten in Deense grafheuvels (Egtved, Skydstrup) bewaard zijn gebleven. De doden werden in de bronstijd individueel begraven, veelal onder een grafheuvel of als na-bijzetting in een grafheuvel van een van de voorouders. In de loop van de bronstijd werd crematie steeds algemener toegepast. Omstreeks 1400 v.C. kwam in de Hongaarse laagvlakte de gewoonte op van het begraven in urnenvelden, welke gewoonte zich over grote delen van Europa verbreid heeft. De bronstijd wordt in Nederland en BelgiŽ in drieŽn verdeeld: vroeg (2100-1800), midden (1800-1200) en laat (1200-600 v.C.). De wikkeldraadbekercultuur in Nederland vormt een voortzetting van de bekertradities tot in de bronstijd. Deze ging ten slotte over in de Elp-cultuur van de midden-bronstijd, waarvan plattegronden bekend zijn van boerderijen van vele tientallen meters lengte met stallingsmogelijkheid voor vele tientallen stuks vee in ťťn deel van het gebouw en een woonruimte in het andere deel. In Zuid-Nederland en in BelgiŽ ten noorden van Samber en Maas ontstond omstreeks 1750 v.C. de Hilversumcultuur, welke sterke contacten met Zuid-Engeland en Noord-Frankrijk verraadt, welke ook in de gevonden bronzen uit deze periode herkenbaar zijn. De urnenvelden van de late bronstijd sluiten veelal bij de oudere grafheuvels aan. Ook hierbij is er sprake van duidelijke verschillen tussen Zuid-Nederland en BelgiŽ, aansluitend bij het Duitse Rheinland, en het noorden, dat aansluit op Noord-Duitsland. Nederland en BelgiŽ zijn arm aan bronzen, hetgeen op een zekere armoede lijkt te wijzen. De grote Elp-huizen wijzen echter op een welvarende boerengemeenschap. De bronsarmoede kan voor een deel het gevolg zijn van een 'zuinig' grafritueel.
 

 

Bronzen Beelden, Borstbeelden, Sculpturen, Grafmonument, Bronzen dieren, Bronzen vogels, Tuinbeelden, Awards, Bedrijfsjubilea, Bedrijfsjubileum, Kijk en vergelijk, Lia Krol, Contact, In opdracht, 25 jaar jubileum, Huwelijksgeschenk, Zwangerschap, Borstbeeld, Drie broers, Portret in Tuin, Standbeelden, Zusjes, Glas en brons, Beeldentuin, Brons